Laura Mijnders | Alleen

ZUIDBROEK

Mijn maag rommelt en knort. Ik weet niet of ik moet liggen, staan of in een foetushouding wil kruipen. In plaats daarvan ren ik. Het is het enige zinvolle dat ik kan bedenken. Ik grijp in mijn vlucht naar een pan uit de keukenkastjes en verdwijn in het toilet.

Op sommige momenten is een mens liever alleen. Terwijl ik met mijn hoofd boven de toiletpot alles wat mijn maag nog maar weet te vinden uitbraak, verschijnt mijn vriend om het hoekje.

,,Gaat het? Ik hoorde je.’’

Opnieuw moet ik kokhalzen. Mijn vriend duwt de deur een stukje verder open. Het liefst wil ik gillen. Nee, kom geen stap verder! Ik ben walgelijk. Ik veeg mijn mond met de hand van mijn rug af.

Als een gewond dier laat ik mij op de koude vloer van het toilet achterover zakken. Het zweet stroomt langs mijn slapen. Voorzichtig dept hij mijn voorhoofd met een koud washandje. Na drie en een half jaar bij elkaar wil ik nog steeds het liefst verdwijnen. Wat ziet een ander mens toch in godsnaam in een ander mens? Ik weet dat onsmakelijke geluiden en geuren van alle tijden zijn, maar hoe kan hij na dit gezien te hebben, mij ooit nog als aantrekkelijk beschouwen? Hoe wis je zoiets uit je geheugen?

Wanneer ik hem dit met een dun stemmetje vraag, barst hij in lachen uit. Voorzichtig tilt hij mij van de vloer en loodst mij naar ons bed. Ineens moet ik denken aan een scene uit de film ‘Into the Wild’. Zelfs de beer, een machtig roofdier, wilde op het laatst niets van de hoofdpersoon weten. Hij rook dat de hoofdpersoon ziek was. Zo gaat dat in de natuur. Verkeerde bessen. Zo simpel kan het zijn.

Mijn vriend gaat echter nergens heen. Hij zet een glas water naast mijn bed. Steelt mijn haren, maakt bouillon die ik niet aanraak. Ik denk aan mijn vader, die dit dag in dag uit met mijn moeder mee moest maken. Het rennen, het ijlen, het achteroverhouden van haar dat op den duur verdween. Koortsachtig besluit ik dat ik nooit voor chemo zou kiezen. Behalve als hij het zou willen. Als hij zou willen dat ik bleef vechten. Als hij naast mij bleef staan.

De volgende ochtend begint hetzelfde. Ik probeer slokjes water naar binnen te werken. Het heeft weinig resultaat. Opnieuw moet ik braken. Het bed is nat van het zweet en de uren trekken voorbij zonder dat ik er iets van merk.

Na een tijdje maakt mijn vriend mij wakker.

,,Ik ga zo boodschappen doen, kan ik nog wat voor je meenemen?’’

Ik schud mijn hoofd. Zodra de deur dicht slaat ben ik dan eindelijk alleen. Het is niet zoals ik verwacht had. Geen opluchting, geen gemoedsrust, niets. Ik wil dat hij terugkomt. De tranen rollen over mijn wangen.

Niet vanwege verdriet, niet vanwege de pijn, maar omwille de oorverdovende stilte.


Auteur

Redacteur