Laura Mijnders | Moederkloek

ZUIDBROEK

,,Paracetamol? Medicijnen? Ondergoed?’’ We gaan niet meer dan vier dagen weg. Toch moet ik het zeker weten. ,,Ik ben een volwassen man, ik weet heus wel hoe ik een tas moet inpakken.’’ Demonstratief zet ik mijn handen in mijn zij. Zwijgend blijven we zo een tijdje tegenover elkaar staan. Ik ben de eerste die toegeeft. En ik baal ervan.

,,Ik weet het’’, zeg ik. ,,Ik probeer je te helpen.’’ Ik loop op hem af en druk mijn voorhoofd tegen zijn borst aan. Terwijl we zo blijven staan, denk ik aan de laatste keer dat ik kampeerde. Ik was acht en vond het verschrikkelijk. Mijn ouders waren net gescheiden. We lagen in een tweepersoons tentje, mijn beste vriendin en ik. Ze vertelde mij verhalen over een meisje dat in het meer - dat maar een paar meter van onze tent vandaan lag - verdronken zou zijn. Haar geest zou op de camping rondwaren. Mijn hele lijf sidderde. Mijn vriendin lachte en mompelde iets over hoe goedgelovig ik was. Ik was zo bang dat ik ‘s nachts de tent niet meer uitdurfde. Dit resulteerde in een van de ongemakkelijkste situaties uit mijn leven; diezelfde nacht nog plaste ik na jaren zindelijk geweest te zijn, in bed. Ik durfde haar, noch haar moeder iets te zeggen. Het stonk in de tent en de kou die zich onder mij verspreidde, trok dwars door mijn pyjama, mijn lijf in.

De volgende dag had ik mijn verhaal klaar. Iets met een spierziekte. Terwijl mijn vriendin de hele camping liet weten van het incident, rende ik naar het toilet, waar ik mij stilletjes tegen een van de muren omlaag liet zakken. Ik leerde hoe een hekel hebben aan kamperen ontstaat. Ik leerde dat huilen voor watjes is.

,,Gaat het?’’ Hij legt een paar vingers onder mijn kin en drukt deze zachtjes omhoog. ,,Niets bijzonders. Ik dacht aan vroeger.’’ De volgende dag staat Remy braaf om acht uur voor onze deur te toeteren. Schiet op, gebaart hij. Ik wenk hem naar binnen. Hij schudt zijn hoofd. Ik besluit om naar hem toe te lopen. Met een fronsend gezicht draait hij zijn raampje open. ,,Geen tijd voor koffie?’’ vraag ik hoopvol. ,,Als we niet op tijd weggaan, hebben we straks geen goed plekje meer voor onze tent’’, zegt hij. Ik knik. Remy trommelt met zijn vingers op het stuur. ,,Goed. Dan zullen we opschieten.” Gejaagd ruimen we de kofferbak in. Ik ga achterin, zodat ik mijn ogen nog even dicht kan doen. Het gemoedelijke gefluister tussen mijn man en Remy, doet me in een diepe slaap wegzinken.

Nadat we zo’n anderhalf uur hebben gereden, stopt de auto. Ik knipper met mijn ogen. ,,Even roken’’, zegt mijn man. ,,Moeten jullie ook een broodje?’’ vraag ik. ,,Iets te drinken?’’ Mijn man werpt me een betekenisvolle blik toe na het zien van de paniek in mijn ogen. ,,Lief, we gaan enkel kamperen. Stop voor een dag met zorgen. Geniet. Ontspan.’’


Auteur

Redacteur