Laura Mijnders | Mens

ZUIDBROEK

Het is werkelijk een regelrechte chaos in de kookstudio. Overal lopen mensen druk kletsend heen en weer om potten, pannen, messen en ingrediënten te verzamelen. Zo nu en dan verheffen de Italiaanse eigenaar en zijn dochter hun stem om instructies te geven, maar boven dit kippenhok komen zelfs Italianen niet uit.

Ik ben aan een collega gekoppeld die net zo vreselijk onhandig is als ik. We hebben de grootste lol, doen een poging om een beetje fatsoenlijk werkruimte te claimen en moeten ondertussen steeds opnieuw op ons lijstje kijken. We zijn de koningen van de verstrooidheid. Na een geïmproviseerd werkoverleg waarin we vooral, ‘wat zei je?’, ‘wat?’ ‘nee wat zei jij?’ in hebben gebracht, vluchten we de kas in. Achter ons verschijnt een vrouw in een blauwe trui met grijs haar. Ze heeft borstelige wenkbrauwen en doen mij een beetje aan een rups denken. ,,Wat zoeken jullie”, vraagt ze. ,,Tomaten" zegt mijn collega. ,,En peterselie" vul ik aan. De vrouw gaat ons voor en leidt ons naar verre uithoek achterin de kas. ,,Is dit perceel van u" vraag ik ongegeneerd. ,,Ja, en het witte huisje ook.” Ze wijst ons waar de courgettes staan, waar de komkommers liggen en daarna verdwijnt ze in stilte, alsof ze wil verdoezelen dat ze hier ooit is geweest.

Mijn collega plukt tomaten terwijl ik peterselie en oregano pluk. Het is vreemd om een man in een pak op zijn hurken in een kas te zien zitten. Ik vraag mij af hoeveel procent van mannen in pakken zou weigeren om aan een opdracht aan deze deel te nemen. ,,Goed, wat missen we nog?’’ Ik laat mijn vinger langs het recept glijden zonder het echt te lezen. Mijn collega maakt een foto van wat andere collega’s die poseren, ze houden met z’n vieren een plak deeg in de lucht en lachen hun tanden bloot.

Wanneer we zonder verder toe te geven aan allerlei afleidingen, eindelijk weer bij de werkbank aankomen verdelen we de taken. Johan snijdt de tomaten voor de Bruschetta en ik richt mij op de salade. Een collega brengt ons af en toe wat wijn waar we ons gretig aan vergrijpen. Ik vraag hem waar hij woont, of hij huisdieren of kinderen heeft. Voor mij vallen die laatste twee in dezelfde categorie. ,,Ik wilde wel kinderen, maar het is er nooit van gekomen, zegt hij zonder blikken of blozen. ,,Mijn eerste vrouw overleed en de tweede... Dat lukte niet.''

,,En jij? Eigenlijk gaat het mij natuurlijk ook geen zak aan.'' ,,Nee, vraag vooral, zeg ik enthousiast. Ik praat eigenlijk overal wel over.'' Er broeit een vreemd soort warmte in mijn borstkas. Eerst denk ik nog dat het aan de wijn ligt, maar dan zie ik iets anders. Ik laat mijn blik opnieuw door de ruimte gaan. Hier staan mensen die tomaten hakken, mensen die net zoals ik soms moeten (over)leven, doodgewone mensen met doodgewone verlangens.


Auteur

Redacteur