Laura Mijnders | Watjes

ZUIDBROEK

Met een bak vol snoep op schoot zit ik uit het raam te kijken. De gordijnen zijn net genoeg opengeschoven om de straat te kunnen overzien, echter te weinig om van mij of de rommelige kamer een blik op te kunnen vangen. Er ligt een glimlach op mijn gezicht geplakt. In gedachten bekijk ik mijzelf van een afstandje en ik denk; hoe ben ik ooit zo burgerlijk geworden? Hoe weinig is er voor nodig geweest?

Ons huis is een van de weinige huizen uit de buurt waar vanavond licht brandt. Dit weet ik zeker. De meeste mensen uit de straat hebben geen kleine kinderen meer en verschansen zich daarom in het donker. Hun kinderen zijn inmiddels het huis uit en leiden een eigen leven. Verveeld graai ik in de bak op mijn schoot en tover een doosje Smarties tevoorschijn. Een voor een steek ik de ronde suikerbommetjes in mijn mond. Ik laat ze op mijn tong smelten en spoel ze vervolgens weg met wat wijn. Terwijl ik in de bak blijf graaien herinner ik mij hoe mijn broer en ik altijd de straat op gingen, koud of niet koud. Hij met een slordig geknutselde lampion, het hoefde immers niet netjes, als het middel het doel maar diende. Mijn lampion hing er altijd wat eenzaam bij, eng, op het perfectionistische af. Akelig staken ze tegen elkaar af.

Toch haalde mijn broer en ik evenveel buit binnen. Aan het einde van de avond leegden we met rode wangen onze tassen op de keukentafel. Mijn moeder nam een derde van ons snoep in om het te bewaren voor de namiddagen, wanneer we uit school kwamen. Of om ons te behoeden voor onszelf, dat weet ik niet zeker. De rest van het snoep verdeelden we over ons tweeën, en we onderhandelden tijdens het restje avond, net zo lang tot moeder ons naar bed stuurde. We waren geboren ondernemers.

Het is inmiddels half acht en ik heb nog geen kind gezien, de avond dooft langzaam uit. Ik schenk mijzelf nog wat keer bij terwijl ik voor het raam, het glas in mijn hand, naar buiten ga staan kijken. De kinderen in Nederland worden als watjes grootgebracht, denk ik onwillekeurig. Hun ouders houden hen zodra het koud is, uit angst voor ziektes binnen. Ze stoppen hun tablets en smartphones toe, een verzwakkende handeling die van generatie op generatie wordt overgedragen.

Langzaam worden we allemaal slachtoffer van deze gegeneraliseerde smetvrees, we worden steeds zieker. Ik mors een beetje wijn wanneer de bel toch gaat. Ik ren bijna op de deur af. Voor mij staan twee meiden van een jaar of tien. ,,Jullie zijn de eersten’’, zeg ik nadat ze gestopt zijn met zingen. ,,Ik dacht al dat er niemand kwam.’’ Terwijl ik ze wat extra snoep toestop, weet ik dat deze generatie goddank niet geheel verloren is.


Auteur

Redacteur