Laura Mijnders | Vakantieganger

ZUIDBROEK

Vanaf een afstandje zie ik hem lopen. Nou ja, lopen... Hij strompelt eerder, zijn broek is afgezakt, zijn t-shirt opgekropen. Wanneer ik hem wat langer bekijk, zie ik dat hij hijgt, zijn armen tijdens het lopen heen en weer zwaait alsof hij zich voortbeweegt op een laatste restje wilskracht.

Ik weet dat ik een beslissing moet maken. Ik werp een blik op de bus die inmiddels voorgereden is. Ik kijk van Gert weer terug naar de bus. De bus rijdt weg. Ik sms mijn moeder dat ik later kom. We waren hem al een aantal weken kwijt. Hij had gezegd dat hij op vakantie wilde. Hij was met een rechterlijke machtiging opgenomen op onze afdeling, wat op vakantie gaan praktisch gezien onmogelijk maakte. Ik had hem aangemoedigd met zijn behandelaar en zijn ouders over zijn wens in gesprek te gaan, maar beide hadden het onverantwoord gevonden. Van mijn collega’s kreeg ik een standje. Dit was een gevaarlijke cliënt, hij had een gewelddadig verleden. Bovendien was hij knetter psychotisch. Waarom luisterde ik naar een man die elk moment kon veranderen in een wild dier? ,,Je hele leven ‘nee’ horen, draagt niet bij aan herstel”, had ik gezegd.

Drie weken gingen sindsdien voorbij, waarin hij er niet meer over begon. Maar op een dag, toen een collega hem zijn medicatie wilde verstrekken, werd er een kamer zonder Gert aangetroffen. Er ontbrak niets, geen jas, geen schoenen, geen tandenborstel, alles was er. Hij had niets meegenomen.

We volgden het protocol. We belden zijn ouders en kennissen. We vroegen medebewoners of ze wat hadden gezien of gehoord. Diezelfde avond nog werd er een opsporingsbevel uitgevaardigd. En nu liep hij hier, in Assen. ,,Gert! Hé Gert! Ik zag je lopen. Hoe is het met je?”

,,Ik ben op weg naar mijn ouders”, zegt hij, zijn gezicht bleek weggetrokken. ,,Je ziet er niet goed uit”, zeg ik. ,,Zullen we een kop koffie gaan drinken voordat je gaat?’’ Als een jonge puppy, onzeker maar volgzaam, loopt hij mij achterna naar het Douwe Egberts-filiaal. Hij mompelt iets over shag.

Het is hartje zomer en snikheet. Ik bestel twee koffie en vraag een meisje dat staat te roken met een smekende blik of ik een shaggie mag draaien. Ze knikt. Dan begint het. Hij buigt zich naar voren en geeft over. Het lijkt maar niet te stoppen. Het hele terras ligt er inmiddels onder. Hij veegt zijn mond af met zijn t-shirt. Ik vraag hem waar hij is geweest. Zeg dat we hem gemist hebben. ,,Barcelona’’, zegt hij. ,,Ik sliep op het strand en dronk zeewater.’’ Hij grijnst.

Na een tijdje krijg ik hem zover dat ik de afdeling mag bellen. Na vijf minuten krijg ik een sms. Ze sturen een politiewagen om hem naar de afdeling terug te brengen. Ik lees hem het smsje voor. Voor mij zit inmiddels geen man meer, maar een kleine jongen die enkel op vakantie wilde.


Auteur

Redacteur