Laura Mijnders | Zolder

ZUIDBROEK

Laatst had ik het lumineuze idee opgevat om de zolder op te gaan ruimen. Ik was wat koortsig en er lag een familielid op sterven, maar er moest en zou iets worden opgeruimd.

Het was een puinhoop. Een grote, stoffige hoop ellende. Het is ongelooflijk wat we in die drie, schamele jaar die we hier nu wonen allemaal op zolder hebben neergekwakt. Wat een mens zoal verzameld, met zich meezeult in de veronderstelling dat het nuttig is, nog wel eens van pas zou kunnen komen. Dozen vol CD’s, een platenspeler, twee stereotorens die nog gerepareerd moeten worden, luchtbedden, een kapotte tent, een koffer met krijtjes, een wandelstok, twee stapelbedden, allerlei restanten van stoffen gordijnen en dagboeken.

In onze zolder kun je staan. Alleen wanneer je er precies in het midden staat. Terwijl ik daar sta bedenk ik mij dat het een leuke kamer zou kunnen worden. Maar voor wie? Ik kom er nooit. We hebben geen kinderen samen. We willen geen kinderen. Met mijn voet duw ik wat oude schooltekeningen opzij.

Ooit had ik een vriendje die op zo’n soort zolder woonde. Hij sliep te midden van al die versnipperde dingen, op een kaal matras. Ik vroeg hem eens hoe hij dat deed, zo kon leven. Hij zei mij dat al die dingen onmogelijk macht over zijn geest konden hebben, tenzij hij ze dat gaf, zichzelf dat toestond. Dat dat met alles zo in het leven is. Ik besefte mij toen nog niet hoe waar dat was.

Waarom ik deze spullen al zeven verhuizingen met mij meesleep weet ik dus niet. Soms voelt het alsof ik al die rommel in mijn hoofd meedraag. Het is verwarrend, ik heb er geen controle over, maar tegelijkertijd kan ik het niet loslaten.

Een streepje daglicht valt door het dakraam naar binnen. Ik kijk rond en weet niet waar ik moet beginnen.

Na twintig minuten merk ik dat ik mijn draai heb gevonden. Zo gaat dat met rommel, je moet gewoon ergens durven beginnen. Oude tekeningen, dagboeken met herinneringen die ik niet wilophalen, ze gaan allemaal in een vuilniszak. Na een uur staan er negen vuilniszakken tegen de muur geleund. Zes ervan kunnen weg, drie kunnen naar het goede doel. Wat rest zijn nog wat onderdelen van een kledingkast en wat schilder spullen van een tante. Ik zou ze allemaal in een rugzak kunnen proppen en kunnen vertrekken. Er blijft niets over om te verliezen, niets bijzonders om achter te laten.

Mijn moeder zei wel eens dat een opgeruimd huis, een opgeruimd hoofd is. Ik kijk in de spiegel en zie mijn moeder de woorden herhalen, besef mij hoezeer mijn stem op die van haar lijkt, hoe haar opvattingen die van mijn zijn geworden. Je kunt duizend spullen verzamelen die je onderscheiden van je ouders, maar uiteindelijk word je hen in sommige opzichten toch. Het verschil is dat ik er niet langer bang voor ben, ik geef mijn oordeel geen macht.


Auteur

Redacteur