Laura Mijnders | Lezing

Zuidbroek

We stappen de trein uit. De rust die ik in de trein nog ervoer maakt abrupt plaats voor spoedende mensen, etensgeuren, meldingen en reclameborden. Ik weet meteen; een meisje uit een dorp zou hier dagen kunnen dwalen. Gelukkig heb ik mijn psychiater. Ik vraag hem of ik Google Maps zal opstarten. Hij schudt zijn hoofd. Vastberaden loodst hij mij naar een houten shot. ,,O. Hier zat ooit een uitgang.''

Verdwaasd blijft hij even staan, drukt zijn omlaag schuivende bril weer recht op zijn neus. ,,Kom.'' We lopen op een drafje Hoog Catharijne door. Hoewel alle winkels hier onder een dak zitten, zie ik dat praktisch vooral onnoemelijk lelijk kan zijn. Via klapperende plastic stroken vinden we een uitgang. ,,Ik heb een tijdje in Utrecht gewoond.'' Hij kijkt me veelbetekend aan. ,,Dat je hier nog nooit geweest bent.'' Aan onze rechterkant doemt een prachtige kloostertuin op. ,,Laten we kort een rondje doen.'' Gehaast lopen we de kloostertuin door. ,,Ik zou de lezing zo kunnen overslaan'', zeg ik. ,,Gewoon om hier een dag in deze tuin te kunnen zitten.'' Hij knikt. We steken het Domplein over, volgen de borden richting het Centraal Museum. Er hebben zich al behoorlijk wat mensen verzameld. We banen ons een weg door de menigte. De Tuinzaal zou net zo goed een zaal in elk willekeurig crematorium geweest kunnen zijn. Het is er akelig kaal, de muren zijn in een meelevende witte crèmetint geverfd en naast het spreekgestoelte staan twee stenen blokken met planten erop. Alleen voorin zijn nog plekken vrij. Ik huiver. ,,De eerste spreker is een filosoof die fenomenologie doceert aan de Eramus universiteit'[, zegt de gespreksleider. Eerlijk gezegd weet ik niet eens wat het woord fenomenologie betekent, maar dat zeg ik niemand. Ik stel mij een verwaande leraar voor in pak, die sigaren rookt en het internet schuwt. Wanneer de werkelijke Awee Prins naar voren treedt, ben ik verbaasd over zijn menselijkheid. Zijn handen trillen, – net zoals de mijne zouden doen -, en af en toe hapert hij. Hij vertelt over zijn visie op herstel (van en door de mens) en hoe hij het woord zingeving liever ombuigt naar het woord ‘zinvinding’. Na een tijdje legt hij zijn papieren terzijde en spreekt moeiteloos verder. Hij vertelt over zijn alcoholverslaving en zijn tijd in een kliniek in Zuid Afrika. Hoe hij dagen niet heeft geslapen van de zenuwen omdat hij deze lezing heeft toegezegd. Ik kan alleen maar denken aan mijn vooroordelen en dat ik een lul ben. Na de lezing vraagt hij aan de mensen die zich om hem heen drommen of iemand een taxi voor hem kan bellen. Hij heeft een aantal oxazepammetjes genomen en heeft last van duizelingen. Ik staar hem aan, zonder iets te zeggen. Ik wil een hand op zijn schouder leggen, hem uithoren, hem vertellen dat het wel goed komt, maar hij verdwijnt in een schimmige zijstraat, zijn opbollende jas wappert superheldachtig achter hem aan. Door Laura Mijnders

Auteur

Bram Hulzebos