Column Laura Mijnders | Helden (3)

ZUIDBROEK

Er staat een tuinkabouter voor onze tent. Niemand weet waar hij vandaan komt, maar hij staat er. Het is een dikkig klein kindkaboutertje, enigszins zielig, het puntje van zijn stenen muts is afgebroken. ,,Iemand haalt een grap met ons uit.'' Ik wijs mijn vriendin op het obstakel voor onze tent. Ze barst in lachen uit. ,,Wat een lelijk ding.'' ,,Houden we hem?'' ,,We houden hem.''

,,Ontbijt?'' Ik wapper met een croissantje voor haar neus. Ze knikt. ,,Eerst opfrissen.'' In een 'douchejurk' begeeft ze zich schoorvoetend richting het sanitair. De dagen die ze alleen op de camping doorbracht, hebben zichtbaar hun tol geëist.

Tegen het einde van de middag pakken we de bus richting de Betonning. Mijn vriendin moppert over een zere reet – ze was zo handig om gedurende Oerol een mountainbike te huren - waar ik verder niets van zeg. Ik laat mij door haar meevoeren terug naar het andere eind van het eiland, waar ik gisteren zo gebroken aankwam.

De eetzaal bevindt zich in een oude fabriek, waar enkele houten banken en tafels zijn neergekwakt en dikke touwen met takelhaken aan de plafonds bungelen. Overal bevinden zich nog sporen van de arbeiders die er al lang niet meer werken, alsof ze op een dag zijn weggelopen om maar nooit meer in die eentonige ellende te hoeven terugkeren. Ik zie een versleten beschuitbus op een werkbank, een stel zwarte laarzen dat niemand als de zijne herkent, en een grote logge radio met antenne.

Ik maak kennis met onze leidinggevende van vanavond. Mijn vriendin heeft al eerder met hem gewerkt. Het is een dun jochie, met plakkerige handen en een paniekerige blik in zijn ogen. We tillen bakken met groenten, orzo (naar het schijnt aardappelrijst) en pasteitjes in het verhitte buffet. Het is nog geen half zes, maar de eerste hongerige massa heeft zich al voor de houten schuifdeuren verzameld. Ongeduldig roken ze sigaretten, werpen ons vragende, bijna smekende blikken toe.

Wanneer het buffet opengaat, stormen de mensen nog net niet op ons af. Een collega vrijwilliger bij de ingang drukt de toestromende massa gratis plastic glazen met champagne – overgebleven van een lezing - in de hand. Ik hunker naar een glas. Maar boven de verhitte bakken scheppen we stevig door. Ik de groenten en de aardappelrijst, mijn vriendin; vlees, vis of vegetarisch. We werken als een geoliede machine. Af en toe probeer ik een praatje met iemand te maken, waarnaar mijn leidinggevende vraagt of ik door wil scheppen.

Na de laatste eters en een hysterische schoonmaakronde, pakken we de bus terug richting de camping. We kleden ons om, stormen met de geadopteerde kabouter op de kroeg tegenover ons af. We zetten hem op een kruk, geven hem bier, en hobbelen uiteindelijk weer tevreden met hem naar de tent.

De volgende ochtend is hij verdwenen. Maar het geeft niet. Onze one-night-stand kabouter, onze wandelende superheld. Ik zou bijna in sprookjes gaan geloven.


Auteur

Redacteur