COLUMN Laura Mijnders | Keerpunt

ZUIDBROEK

Een tijdje geleden gaf ik mij op als testlezer bij een uitgeverij. Ik was het al weer vergeten, tot ik onlangs mijn mail opende. Een vrouw van de uitgeverij mailde dat ik uitgekozen was als een van de vijftien testlezers van dit boek.

Of ik mijn gegevens wilde mailen. Twee dagen later viel het boek door de brievenbus. Een rommelige kaft met daarop afgezaagde foto’s van een een gelukkige vader met zijn dochter op een strand ergens in Thailand.

Ik stopte het boek in mijn werktas, probeerde het tevergeefs op alle heen- en terugwegen in de trein te lezen. Het eindigde op mijn nachtkastje, twee weken voor de deadline. De eerste avond stortte ik mij dankbaar op Youtube, waar ik een filmpje ontdekte over hoe lijm gemaakt wordt. De tweede avond besloot ik dat mijn excuses toch echt op waren.

Het eerste hoofdstuk was nauwelijks boeiend. De schrijver heeft een prachtige baan als milieuwetenschapper, de gebruikelijke standaardruzies met zijn vrouw over een kind en overwerk. Uiteindelijk, wanneer het kind ouder wordt, vraagt ze haar vader of hij gelukkig is. Begrijp mij goed. Ik ben het grootste gedeelte van de dag uitzonderlijk cynisch ingesteld, maar dit maakte iets los.

Het kind uit het boek kreeg langzaam een gezicht, het was alsof ze aan mij persoonlijk vroeg: ‘en jij, hoe zit het met jou? Ben je gelukkig?’ Ik dacht aan al die treinreizen. Aan alle verstokte, grimmige gezichten in de ochtenden en avonden. Het heen en weer bewegen tussen dag en nacht. Rekeningen, te weinig uren in een dag om alle problemen die ik telkens tegenkom ook daadwerkelijk op te lossen, een plek te geven. De vraag bleef maar door mijn hoofd spoken.

De dagen daarop sliep ik nauwelijks. De vraag bleef maar in mijn hoofd rondspoken. En bij alle zwijgende treinreizigers, cliënten en collega's die tegenover mij zaten vroeg ik het mij telkens weer af. Het was alsof ik alles ineens van een afstandje bekeek en besefte hoe onbedachtzaam, hoe oneigen ik net als alle anderen in onze ‘maatschappelijke’ fabriek meedraaide. Nergens in mijn hele leven proefde ik nog ruimte voor de dromen die ik als kind ooit had gehad en ik dacht, hier klopt iets niet. Ik ben creatiever dan dit.

De week erop nam ik twee weken aan overuren op. Ik zocht ons tentje op, kocht een slaapmatje, sloeg voldoende proviand in en vertrok. Ik ga hier nu niet beweren dat mijn reis buitengewoon inspirerend of heilzaam was. Diezelfde avond nog stond ik namelijk huilend en onder de muggenbulten weer op de stoep. Het lukte niet om de tent op te zetten. Maar ik besefte wel iets belangrijks. Je hoeft niet ver weg te gaan om te vinden wat het dan ook is dat je zoekt. Je kunt het gewoon hier, thuis, in een boek, in een ander en - belangrijker nog - in jezelf vinden.


Auteur

Redacteur