Column | Start

ZUIDBROEK

Sommige dingen kun je beter niet combineren. Zo ook een trein vol natte mensen. Een mengeling van parfum, kauwgom en zweet dringt mijn neus binnen.

Naast mij zit een oudere vrouw. Ze bladert geconcentreerd in een boek over de psychoanalyse. Een tijdje tuur ik over haar schouder mee. Ze moet een jaar of vijftig zijn. Gescheiden wellicht. De kinderen het huis uit. En dan nu een carrièreswitch. Haar grijze lokken tekenen zich sterk af tegen haar bleke, magere gezicht. Haar pen beweegt driftig heen en weer over haar notitieblok, het is duidelijk een serieuze zaak.

Ondanks de gespannen verwachtingen en natte kleding kletsen de mensen erop los. Ik vang flarden van gesprekken op. Zonnige vakanties, verbroken relaties, nieuwe studies. Stuk voor stuk zijn deze mensen gedreven er iets van te maken. In die zin is september een beetje een slap aftreksel van januari. Maanden waarin goede voornemens nog intact zijn.

Voor het eerst voel ik diezelfde spanning. Deel ik diezelfde voornemens. Mijn maag rommelt. In een poging mijzelf af te leiden kijk ik naar buiten. Dezelfde weilanden en boerderijen als op alle andere dagen. Een afstand die de kijker geruststelt.

Op station Groningen besluit ik nog gauw de Albert Heijn binnen te lopen. Voor het schap met koekjes blijf ik staan. Ik wil mijn goede wil duidelijk maken, maar welke koekjes koop je in zo’n geval? Ik kies voor de chocoladekoeken. Niet te duur, niet te goedkoop. Gewapend met de koekjes loop ik richting de bus. Een oude vrouw met een rollator probeert de bus in te stappen. Ik twijfel of ik wel in moet stappen. Mijn hele leven heb ik gezorgd. Eerst voor mijn broertje, toen in mijn werk en uiteindelijk goddank een beetje voor mijzelf. Het is wat ik ken. Wat ik kan. De grondbeginselen van mijn hele identiteit. Ik weet niet of ik wat anders kan. Een korte tijd blijf ik voor de bus staan. De buschauffeur knikt me welwillend toe. Uiteindelijk stap ik toch de bus in.

De stad is wakker. De buschauffeur manoeuvreert behendig langs stroompjes fietsers, brommers en geparkeerde auto’s. Ergens lijkt het allemaal heel onlogisch. Mijn nieuwe baan, mijn kinderlijke enthousiasme. Wie heeft er ooit bepaald dat we met z’n allen rond acht uur richting het werk moeten, rond vijf uur weer vrij zijn, dan een vlugge maaltijd nuttigen en vervolgens de rest van de week dit ritme herhalen?

Bij de Boterdiepbrug stap ik uit. Via Google maps check ik de snelste route naar kantoor. Voor mij doemt een bescheiden industrieterrein op. Ik moet in het kleine bakstenen gebouw zijn. Bedachtzaam sluip ik de trap op. De voordeur valt met een klap in het slot. Boven begroet ik mijn collega’s. Ze storten zich op mijn koekjes. Op een klein tafeltje in de hoek installeer ik mijn laptop. Onzeker begin ik aan mijn eerste artikel. De week kan beginnen.


Auteur

Redacteur