Laura Mijnders | Fatsoenlijk

ZUIDBROEK

Het begon op een zondagochtend. Vader las de krant, kauwde afwezig op een plak ontbijtkoek. Plechtig ging ik voor hem staan. ,,Pap? Ik wil niet mee vandaag.”

Mijn broertje stoot van schrik zijn glas om. Mijn vader vloekt, het tafelkleed is net gewassen. Ik voel de spanning in de lucht, de druk op mijn borst. Zonder op te kijken zegt hij dat ik mee moet. Dat dit nu eenmaal is wat fatsoenlijke mensen doen op een zondag. Tijdens de rit ernaartoe zwijgen we. Nog nooit is het zo stil in de auto geweest. Ik denk na. Maakt mijn tegenzin mij dan onfatsoenlijk? Wat betekent dat woord eigenlijk? On-fat-soen-lijk? Mijn vader parkeert de auto extra ver van de kerk af. Voor mijn gevoel duurt het een uur voordat we er eindelijk zijn. In de kerk zeg ik niemand gedag. Ik zing niet mee. Ik eet geen cake. Mijn vaders mond is een rechte streep.

De zondagavond daarop smeek ik mijn moeder of ik toch alsjeblieft in de weekenden bij haar mag zijn. Ze schudt haar hoofd. Dit is de regeling. Mijn vader bedoeld het niet kwaad. Wanneer ik ‘s avonds in bed kruip, bid ik voor het eerst zonder dat er iemand toekijkt.

De weken erna verandert er niets. We blijven de zondag in de kerk doorbrengen. Mijn protest wordt niet gehoord. Mijn vader zegt tegen kennissen dat ik een lastig kind ben. Nu, zestien jaar later vraagt een van mijn cliënten of ik gelovig ben. Zelf heeft hij zich sinds kort bekeerd tot de Islam. ,,Zonder druk van mijn ouders, het ging eigenlijk heel geleidelijk.”

Hij lacht om de verbaasde uitdrukking op mijn gezicht. ,,Je kunt ook geloven zonder dat je gedwongen wordt hoor. Het gebeurde gewoon. En ik liet het deze keer toe.”

Ik beweeg wat in mijn stoel heen en weer. Bedenk wat ik moet zeggen. Op formulieren van instanties vul ik zonder nadenken in niet over een geloof te beschikken. Ik kom kerken niet langer binnen, tenzij het om een uitzonderlijke architectuur gaat die ik niet wil missen. Na een korte stilte zeg ik tegen de cliënt dat ik het niet weet. En eerlijk gezegd weet ik het ook echt niet. ,,Wat ik wel weet is dat ik weiger te geloven in het concept van schaamte en schuld dat aan het geloof ten grondslag ligt. Mijn hele leven...”

Ik zwijg. Sla mijn ogen neer. Hij knikt – irritant genoeg – alsof hij het begrijpt.

Kort daarna zie ik op het nieuws hoe een groep mannen een moskee bezet. Er hangen spandoeken met erop leuzen als ‘tief op naar je eigen land’ en ‘islam is terreur’.

Het doet zeer. ‘s Avonds in bed vouw ik mijn handen. Het voelt onwennig, maar warm. Ik hoor mijn vaders stem in de verte. Wanneer mijn man vraagt wat ik aan het doen ben, doe ik alsof ik slaap.


Auteur

Redacteur