Column Laura Mijnders | Tehuis

ZUIDBROEK

,,Zou jij het doen?’’

,,Wat?’’

,,Ze in huis nemen?’’ Terwijl ze me recht blijft aankijken reikt ze met haar hand naar de chocoladekoeken op het salontafeltje. De onderste knoopjes van haar blouse zijn niet dichtgeknoopt, waardoor er een stukje van haar huid zichtbaar wordt. Ik zeg er niets van.

Mijn eerste impuls is om sociaal wenselijk op haar vraag te antwoorden. Maar iets in haar gezicht vertelt mij deze keer eerlijk te zijn.

,,Nee. Ik bedoel….ik wil het wel. In sommige culturen is het zelfs heel vanzelfsprekend. Maar ik weet niet of ik het kan, snap je? Ik werk het grootste deel van de week en heb daarnaast mijn eigen..…eh, afwijkingen. Ik weet niet of dat een slap excuus is voor egoïsme, maar het zou wellicht anders zijn als ik niet werkte.’’

Ze knikt, alsof ze het begrijpt.

Ik voel mij aangemoedigd mijn werkelijke overpeinzingen met haar te delen. ,,Aan de andere kant, ik wil ook niet dat mijn ouders in een tehuis wegkwijnen waar er nauwelijks naar ze omgekeken wordt. Dat zou ik moeilijk kunnen verdragen. Laatst werd op het nieuws nog geprotesteerd tegen het structurele tekort aan personeel in de ouderzorg. Er is vaak maar één personeelslid voor acht personen. Sommige mensen liggen daardoor wel twee uur in hun eigen ontlasting. Het idee alleen al.’’

Ik zie haar nadenken. Ze slaat haar ogen neer, plukt wat aan haar mouw. ,,Ik ga ook niet beweren dat het makkelijk is. Soms vraag ik mij af of ik wel de juiste keuze heb gemaakt. We leven na jaren uit elkaar ineens weer zo dicht op elkaar. Een paar keer per dag zou ik mijn moeder wel wat aan willen doen…. Tegen jou durf ik dat wel eerlijk te zeggen, haha. Je hebt beroepsgeheim toch?”

Ze lacht kort, veegt haar handen aan haar broek af. ,,Maar hoe dan ook, er zijn ook momenten waarop we de humor van de situatie kunnen inzien. Afgelopen zomer bijvoorbeeld, toen ze in de tuin van de buren stond te gillen dat zij onmiddellijk haar tuin moesten verlaten. Er was juist een familiefeest gaande. Je moet weten, het zijn nare mensen, onze buren. Ergens was ik haar dankbaar.’’

Bij de deur draait ze zich om en steekt haar hand naar mij uit. Haar hand is klam, maar zacht. Handen van iemand die zorgt. In een andere situatie had ze een vriendin van mij kunnen zijn. Iemand met wie ik zomaar op een vrijdagavond wijntjes wil drinken totdat we allebei in huilen uitbarsten.

,,Bedankt voor het gesprek.’’ Ik kijk hoe ze wegloopt, hoe haar zorgmodus langzaam weer opstart. Terug in mijn kantoor ga ik voor het raam staan. Erachter staat een grote eik, hij is al bijna kaal, klampt zich wanhopig vast aan zijn laatste bladeren. Ergens in dat zorgen voor een aflopend leven, schuilt misschien wel het leven zelf. Aan het afsterven wordt een betekenis gegeven. Iemand bekommert zich om een ander. Het doet er toe.


Auteur

Redacteur