Zomer | Column Marc Jansen

Ik houd van de zomer. Ik kan ook goed tegen de warmte. Omdat ik tijdens een hittegolf geboren ben, zeg ik wel eens.

Onzin, natuurlijk. Los van de vraag of er wetenschappelijke onderbouwing voor deze bewering is, was het op mijn geboortedag maximaal 24,4 graden (gemiddeld 20,1). Geen hittegolf dus. Ik heb het nagezocht.

Een plausibeler verklaring is dat ik snel transpireer. Dat goed zweten belangrijk is voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur staat wél vast. Misschien dat ik daardoor ook niet zo heel veel moeite heb met actief zijn in de zon. Sterker, ik maak liever een flinke wandeling met de hond dan dat ik vol in de zon aan een tafel moet zitten.

‘In rust’ zoek ik dan ook vrijwel altijd de schaduw op. Slechts na een verkoelende duik te hebben genomen, vind ik het lekker in de zon te zitten. Of nog beter: slapen. Tot ik opgedroogd ben. “I airdry”, zou Rod Tidwell uit ‘Jerry Maguire’ zeggen.

Toch kom ik langzamerhand in gewetensnood. Ik associeer dit weer namelijk wel heel nadrukkelijk met vakantie. Niet handig, als je nog moet werken.

De wroeging wordt versterkt door de wetenschap dat Nederland zucht onder een tekort aan (regen)water. Er is serieus sprake van een watertekort. De droogte treft onder meer boeren en telers. Serieuze neerslag is meer dan welkom.

Maar oh, wat zou ik graag nóg een paar weken vooral korte broek, T-shirt en slippers (geen teenslippers maar de welbekende Adidas-slipper) dragen. Ik ga namelijk nog op vakantie. In eigen land.

Marc Jansen