Laura van Meijeren - Huis (column)

ZUIDBROEK Met een klap zet hij twee koppen koffie op de salontafel. Ik had hem gevraagd of ik hem mocht interviewen voor een project. Hierbij vragen we mensen op leeftijd naar hun levensverhaal en zetten dit vervolgens om in een gedicht. Hij had lang geaarzeld voordat hij me het briefje met zijn telefoonnummer had gegeven. Ergens had het een beetje gevoeld alsof ik hem mee uitvroeg.

,,Goed. Wat wil je weten?’’

,,Gewoon, hoe u vroeger woonde bijvoorbeeld. Wat u wilde worden. Op wie u verliefd was. Of u ook een brommer had.’’

,,Ah, zulk soort dingen.’’ Hij leunt achterover in zijn stoel, plukt wat aan zijn baard.

,,Weetje, ik heb overal en nergens gewoond. Maar het langst heb ik in dit lichaam gewoond. Een lichaam is ook een soort van huis.’’

,,Hoe bedoeld u dat?’’ Ik neem een slok uit mijn mok. Het is veel te bitter naar mijn smaak.

,,Nou, denk er maar eens over na. Aan de binnenkant van ieder lichaam woont iemand. Je aderen vormen de leidingen, je huid de bakstenen buitenkant. Je hoofd vormt het dak, je voeten de fundering. Stoort het je wanneer ik een shagje rook?’’ Ik schud mijn hoofd. ,,Het is uw huis, uw regels.’’ Hij vist een plukje shag uit een van Nelle pakje, likt aan het filter, rolt behendig het shagje dicht. ,,Och, wat bezielt me? Had je soms ook gewild?’’ Hij schuift het pakje shag naar me toe. ,,Nee, nee, ik rook niet.’’ ,,Een wijs besluit. Voor het huis waarin je woont moet je goed zorgen. Volg vooral niet mijn voorbeeld.’’ Hij lacht, ik kan de enkele tanden die hij nog heeft tellen, zie hoe ze als kleine gebergtes uit een verder vlezig geheel omhoog steken.

,,Waar was ik? Ach ja, het huis. We zijn allemaal wandelende huizen. Mensen hechten zoveel waarde aan de buitenkant van hun huis, ze vragen zich af of de tuin wel netjes genoeg is, want God verhoede dat de buren gaan klagen over onkruid, ze willen zonnepanelen op het dak, zodat ze energie besparen, ze willen een overkapping, blijven uitbreiden en dit alles het liefst zo efficiënt mogelijk. Maar uiteindelijk draait het juist om hoe goed je voor de binnenkant zorgt. Voor wat er onder dat dak leeft.’’ Hij tikt met zijn wijsvinger tegen zijn voorhoofd, neemt vervolgens nog een trekje. Ik staar naar de oude mannen pantoffels aan zijn voeten, naar de pezige benen in de korte kaki broek. Mijn blik dwaalt tenslotte af naar zijn felgroene ogen. Erboven prijken twee piekerige wenkbrauwen, ze moeten nodig gesnoeid worden.

,,Ik kan je één ding vertellen. Je kunt telkens een andere omgeving kiezen om in te verkeren, maar een thuis vind je in jezelf. Een brommer heb ik overigens nooit gehad. En de liefde, och, laten we het daar maar niet over hebben.’’ Eenmaal thuis schrijf ik de volgende regels:

‘Hij ziet in elk lijf een mogelijkheid

om thuis te komen, verneemt in werkelijkheid

vooral verstrikte zielen achter gesloten lamellen,

zegt: zo vluchten zij het leven door’