'De soep kletterde op de vloer'

Slochteren - Hoe was het om vlak na de oorlog te werken op Landgoed Fraeylemaborg? In het gloednieuwe boek 'Toen gewoon, achteraf bijzonder' halen mensen herinneringen op aan de borg en de bewoners, voordat de borg een museum was. De HS-Krant publiceert een deel uit het boek: het verhaal van Hennie Spakman, die als jonge meid op de borg kwam te werken. 

Het boek is geschreven door conservator drs. Henny van Harten-Boers. De Fraeylemaborg heeft nu een museale functie, maar bleef nog tot 1972 particulier bewoond. Hennie Spakman werd in 1929 in Slochteren geboren en werd als zestienjarige aangenomen in de borg. Dat was in 1945, vlak na de oorlog. Met een pauze heeft ze in de Fraeylemaborg gewerkt tot aan haar huwelijk in 1949. Ze trouwde met Henk Anneveldt en samen kregen ze vijf kinderen. Ze woont nu in Sappemeer. Meisje van zestien  ,,Ik ben hier bij de borg in 1945 vlak na de oorlog begonnen. Ik was nog heel jong, zestien denk ik. Ik ging naar de Christelijke school in Slochteren en daar woonden we vlakbij. Mevrouw Van der Hoop kwam daar ook altijd als er een schoolfeest was, daar kende ze ons wel wat van. En mijn overgrootvader had vroeger ook bij de borg gewerkt. O ja, toen leerde ik ook nog aan de Modevakschool in Hoogezand. Daar mocht ik gewoon heen blijven gaan, dat kon allemaal. Ik weet ook nog wel van de familie Pelgrim, die ging ook bij ons naar de christelijke school. Hun zoon heeft de familie Van der Hoop ook laten leren, die is kapitein geworden. Voordat ik hier kwam werken ging de brug altijd nog omhoog ’s avonds, om 22.00 uur. Toen ik hier begon was dat eigenlijk voorbij want meneer Van der Hoop was wat ziekelijk. Hij ging ’s avonds altijd vroeg op bed. Nat pak Mijn man, waar ik later mee getrouwd ben, die was in Slochteren in de kost. Hij kwam uit Doetinchem. Die mocht als ik dienst had ’s weekends naar de borg komen, op zondag. Dan kwam hij ’s avonds en dan ging om 21.00 uur de deur op slot, dan moest hij wegwezen. Op den duur, de deur ging op slot maar mijn man was er nog. Bij dat plateau achter de borg lag altijd een platte schouw, en daar bracht ik hem mee naar de overkant. Toen is het ook een keer gebeurd dat hij mis stapte van het trapje naar beneden. Niet in de boot maar in het water. Het was mistig en allemaal kroos, je kon geen hand voor de ogen zien. Ooww! riep hij en ik zei hou je stil! want meneer en mevrouw lagen daar vlakbij te slapen… Koetsen proberen Waar nu de boerderij is daar stonden in mijn tijd allemaal koetsen, een hele rij. Als hij mij thuis bracht dan zeiden we: nu moeten we deze koets maar eens proberen en dan gingen we daar in zitten. En de volgende keer een andere. Op een avond zaten we ook in een koets en ik moest weer de borg in. Grote schrik, toen was de deur van de boerderij op slot en we konden er niet uit. Aan de zijkant van de boerderij woonden nog die oude mensen, Drent heetten die. Ze hadden daar ook een varkenshok achter. Na lang zoeken vonden we daar een deurtje en konden we naar buiten. Verschrikkelijk, ach ja je was jong. Even iets nieuws maken Ik was er op de eerste plaats voor tafeldekken, bedienen en opruimen. Er was een kast waar allerhande spullen in stonden en dan moest er gedekt worden. Er stonden van die schragen, ezels noemden ze die, en dan moest ik het eten naar de eetkamer brengen. Op den duur had je ook een schraag bij de ingang naar de Eetkamer staan, daar zette je het zware dienblad op, en dan de deur open. Maar op een keer brak het handvat van het dienblad af en daar lag alles. De soep en al het eten kletterde door elkaar heen voor de deur. Ik wou wel door de grond zakken …. Mevrouw deed de deur open : ja Hennie? Geen geroep van wat is dat nou, geen verwijten, ze kon zich altijd heel goed beheersen. “Nou dat moet maar even opgeruimd worden en dan moet Herman (die was nog kok) maar even iets nieuws maken”. En dan bleven ze rustig netjes bij de tafel zitten, ook al duurde het nog een uur. Perziken Ze hadden ook een fruittuin, met perziken en zo en bakken met groentes. Als we vrij waren wandelden we wel door de tuin en zagen mooie perziken lagen op de grond liggen. Wij dachten, wij pakken zo’n perzik en die hebben we opgegeten. Maar ’s avonds moesten we even bij naar meneers kamer komen. Mevrouw deed het woord. Ja, meneer was ’s morgens door de tuin gelopen en toen hadden er zes perziken gelegen. En hij was ’s middags weer door de tuin gelopen en toen waren er nog maar vier geweest. Of wij daar ook wat van wisten. Ik zei jawel mevrouw, daar weet ik wel van. Want wat was het nou altijd, wij in de keuken kregen het fruit dat niet zo mooi was of met rotte plekken. En toen durfde ik ook al een beetje en zei : het komt ook, als we nou fatsoenlijk fruit in de keuken kregen voor het personeel, dan deden we dat misschien ook niet. En geen kwaad woord, we kregen in het vervolg beter fruit! Het eten voor het personeel was trouwens goed hoor. Wat er gekookt werd voor de familie, dat kregen wij ook. Wat dat betreft kan ik geen kwaad woord zeggen. En wat ik toen niet in de gaten had, ik dacht eerst nog wel eens: zij het mooie fruit eten en het personeel het verrotte boudeltje maar. Maar ik denk dat ze veel van die dingen helemaal niet door hadden. Benedenverdieping Eerst sliep ik in de meidenkamer, de tweede keer in het kamertje wat nu de alkoof is. Dat had ik voor mijzelf, dat was geweldig. Een bed en een tafel en een stoel stonden er, en een kastje zal er wel geweest zijn. Toen had je nog niet zoveel kleren als nu. Soms was het zo dat Louise midden in de nacht thuis kwam en dan ging ze naar de kelder, kijken of er nog wat te eten of te drinken viel, en dan vloog ze bij ons voor de deur langs natuurlijk. Daar was de kelder waar ze het eten heen brachten en ook de wijnkelder. De kikkers in de gracht, je kon er soms niet van slapen zoveel lawaai hadden ze. En dan kwam dokter Buiskool met een vriend en dan gingen ze op het balkon staan en dan schoten ze die kikkers dood. Het moest wel. We sliepen zo dicht bij de gracht, we sliepen haast IN de gracht...."