Laura Mijnders | Gul

Zuidbroek - Mijn knieën kraken. Ik moet er behoorlijk tegen trappen, wil ik met deze wind op tijd bij station Zuidbroek aankomen. Ik zet wat extra vaart. Twee minuten voordat de trein aankomt, heb ik mijn fiets in het rek gezet en mijn OV-kaart opgeladen. Iemand vraagt of ik een vuurtje heb.

Ik ben onrustig. Sinds ik aan het afbouwen ben met de medicatie, heb ik een overschot aan energie, maar ook een aanhoudende onrust in mijn lijf. Mijn voet wipt heen en weer en ik zie de vrouw die tegenover mij zit, geërgerd kijken. Aangekomen op station Groningen, pak ik de bus richting het Zernike. Het zijn toetsweken, maar de bus is net als anders, propvol. Geen genade vandaag. Op de academie voor sociale studies, besluit ik eerst een beker koffie te kopen. Als ik betaald heb en de plastic beker wil pakken, stoot ik het met de mouw van mijn vest om. De caissière werpt een chagrijnige blik richting een stapel servetjes. Terwijl ik mij zou moeten voorbereiden op een interview, dweil ik op woensdagmiddag de vloer van de hogeschool waar ik niet meer studeer. De caissière staat mij toe om een tweede kop koffie te pakken, die ik niet hoef te betalen. Na enige tijd in de kantine gewacht te hebben, komt er een vrouw van middelbare leeftijd op mij af. Ze biedt mij een beker koffie aan die ik afsla. Wanneer ze haar blocnote uit haar tas gehaald heeft, vraagt ze mij naar mijn tijd op de middelbare school. Hoe dat ging, welke studies ik sindsdien heb gedaan en wat voor effect mijn depressies daarop hadden. Het voelt alsof ik vertel over iemand anders. De antwoorden rollen mijn tong af, maar de ervaringen heb ik ver achter mij gelaten. In plaats van dat te zeggen, antwoord ik dat het niet allemaal vanzelf ging. Dat de depressies en de schaamte die daarmee gepaard ging, contact met klasgenoten beïnvloedde, maar ook mijn concentratie en het durven aanvaarden van hulp. Weer buiten slaat de wind in mijn gezicht. In mijn hoofd loop ik het interview nog eens na. Onnadenkend koop ik een puntzak patat, die ik niet op krijg. Ik stuur een sms naar mijn wederhelft. Net wanneer ik de zak dichtgevouwen in mijn tas heb gestopt komt er een man op mij af. Of ik een euro voor hem heb. ,,Ik heb geen euro, wel een halve puntzak patat'', stamel ik. Met de zak patat in zijn linkerhand verdwijnt hij in een steegje. Eenmaal thuis verklaar ik dat ik de zak heb weggeven. Mijn wederhelft omhelst mij. ,,Gelukkig heb ik al gegeten'', zegt hij lachend. Gedurende de avond geef ik nog meer eten weg aan groepjes minimensen met gekleurde wangen. ,,U bent de enige vrouw in de straat die pepernoten uitdeelt'', zegt het laatste groepje lachend. Ik geef ze de overgebleven zakjes rozijnen ook maar mee.