Laura Mijnders | Pindasoep

ZUIDBROEK - ,,Lau, kun jij rijden?'' Mijn zusje hangt zwaar ademend aan de telefoon. Vijf minuten later heb ik mijzelf in een klein felgeel autootje geperst, dat ik in alle haast van de buurvrouw kon lenen.

,,Ik heb de huisartsenpost al gebeld'', zegt mijn zusje. ,,Als jullie nu vertrekken, ben je aan de vroege kant, maar wie weet kunnen ze jullie eerder helpen.'' Samen hijsen we oma in het autootje. Ze kreunt van de pijn. Ik zwaai gedag en druk het gaspedaal diep in. In Winschoten worden we opgevangen door een huisarts in opleiding. Nierbekkenontsteking, zoals mijn zusje al dacht. De huisarts vraagt of oma rookt of drinkt. Terwijl oma probeert te ontkennen, knik ik achter haar rug hevig ''ja''. Na het opmeten van de bloeddruk en oma die nogmaals in een potje probeert te plassen, worden we doorgestuurd naar de spoedeisende hulp. Samen met de huisarts, hijs ik oma van de onderzoekstafel in een groene rolstoel. Bij de spoedeisende hulp krijgt ze een spuitje tegen de pijn. ,,Binnen een kwartier zult u zich beter voelen.'' Oma knikt. Na anderhalf uur aan onderzoeken, worden we meegenomen naar de afdeling acute opvang. Oma komt naast een luid rochelende meneer te liggen. Het is een hele show, zo midden in de nacht. Het felgele autootje, mijn paniekerige zusje en oma, die nog altijd even mondig, naast een rochelende meneer ligt. Ze knijpt haar ogen dicht en vraagt mij hoe ik denk dat ze hier in godsnaam moet slapen. Ik knijp haar zachtjes in haar hand voordat ik een kus op haar voorhoofd druk. ,,Ik kom morgen terug'', fluister ik. De volgende ochtend pak ik samen met mijn zusje een tas in. Twee trainingsbroeken, een stel onderbroeken, shag, sokken en tandpasta. Na mijn zusje gedag gezegd te hebben, pak ik de trein richting Winschoten. Ik ben duizelig van vermoeidheid. Wanneer ik op de kamer kom waar ik oma gister achterliet, is ze verdwenen. Lichtelijk in paniek vraag ik een van de zusters waar mijn oma is gebleven. ,,Ze is net weggebracht voor het maken van een echo.'' Ik laat mijn logge lijf in een stoel zakken en wacht. Bij elk grijs hoofd dat binnen wordt gebracht, maakt mijn hart een sprongetje. Steeds is het mijn oma niet. Na een half uur komt er een zuster naar mij toe. Ze vraagt of ik een kopje pindasoep wil. Ik heb nog geen hap van mijn pindasoep gehad wanneer oma wordt binnen gereden. Ze moet nuchter blijven tot het volgende onderzoek, vertelt de zuster. Oma snuift. Haar maag rommelt. Ik neem een slok van de pindasoep. Moeizaam slik ik de substantie door. Ik laat de rest staan. Gezeten naast het bed van oma, lees ik haar de krant voor. ,,Nieuws zijn eigenlijk ook maar veredelde roddels'', drukt oma mij op het hart. Ik leg de krant weg en besluit dat ik nooit meer pindasoep zal eten, maar altijd van mijn nuchtere oma zal blijven houden.