Als ik aan Gerrit Krol denk, denk ik aan het puddingbroodje

Groningen - Het interview was net begonnen toen Ellen binnenkwam. Gerrit Krol zat op zijn vaste plek in de woonkamer, hij woonde weer aan de Korreweg en zijn dochter zette een puddingbroodje voor hem neer. Op een stapel boeken. Mes en vork erbij. Ik schrok: je liet een man met Parkinson toch niet met mes en vork een puddingbroodje eten? Maar ze draaide zich om en liet ons weer alleen. Onderwijl ik vragen stelde en hij antwoordde werkte Krol dat broodje naar binnen. Ik durfde er nauwelijks naar te kijken.

De aanleiding voor mijn aanwezigheid daar weet ik niet meer. Kan zijn dat het voor Arcadia der Poëten was, mijn boek over het stadse literaire leven, of voor de Gezinsbode-rubriek ‘Bekende Groninger'. Iemand met de status van Krol was daar eigenlijk te groot voor, anderzijds: als je het over Bekende Groningers had, kon je niet om hem heen. Een grote naam in de vaderlandse letteren. Een bekroond oeuvre van zo'n vijftig titels, van romans tot essays, van poëzie tot columns, van vertalingen tot recensies.

Oudemolen

Het was de tweede keer dat we tegenover elkaar zaten. De eerste keer was in Oudemolen, rond zijn zeventigste verjaardag. Stichting Beeldlijn maakte een film over hem, ‘De zoon van de levende stad' en er was een nieuwe roman: Rondo Veneziano. Naar later bleek zijn laatste. Dat gesprek vond plaats in zijn schrijfhuisje, achter in de tuin. Net als bij Rutger Kopland, was ik ook nu jaloers op zo'n mooie rustige werkplek. Zelf zit ik aan de keukentafel, omringd door Lego en ontbijtbordjes met half opgegeten broodjes hagelslag. Krol vertelde over hoe hij zichzelf zag: als iemand die door noeste arbeid zijn plekje in de literatuur had verworven. Gewoon, door te schrijven. Na het werk. Met een ijzeren discipline: ‘Dan geef je de literatuur, waar je niet in past, een zodanige draai dat je er wel in past. Ik schrijf boeken die nooit geschreven zijn. (…) Door arbeid, door stug hameren, heb je de norm verplaatst.' Wat hem onderscheidde was de prominente plek van wiskunde en techniek in zijn geschriften. Dat lag in het verlengde van zijn werk als computerprogrammeur voor de Shell en de NAM. Hij begon ermee in ‘Het gemillimeterde hoofd' in 1967, dat gelardeerd was met schema's, formules en illustraties.

Ethiek

Gerrit Krol was, uiteraard, een voorbeeld. Vooral vanwege zijn werkethiek. In Groningen kunnen we nogal ingewikkeld doen over een leven gewijd aan de muze, maar hij liet zien, net als beeldend kunstenaar Martin Tissing en dichter Rutger Kopland, dat je een baan kon hebben en desondanks op hoog niveau scheppen. Met de PC Hooftprijs als bewijs. Krol was bij mijn weten en ook bij zijn eigen weten, zoals hij in ‘De zoon van de levende stad' bekende, de enige minnaar van een kanaal. Het Van Starkenborghkanaal. Hoe hij die liefde praktiseerde zei hij er niet bij en ik wil me daar ook geen voorstelling van maken, maar zoals Belcampo met een naïeve verbazing de wereld bezag, zo liet Krol zich graag meevoeren door het vermogen van de mens om de wereld naar zijn hand te vormen. En eerlijk is eerlijk: het Van Starkenborghkanaal ís een mooi kanaal. Zoals andere auteurs over vrouwen schreven, zo schreef hij over de wonderen der techniek, de wereld van het gas. Hij kon lyrisch zijn over iets praktisch als de plants van het Slochter gasveld. Op een bijna sensuele manier. De putten van Tjuchem. Mastodonten, vond hij. Dat er een brug naar hem vernoemd is, een fraai stukje werktuigbouwkunde op de kop van de Korreweg, de straat waar hij opgroeide, is niet zo gek.

Onsterfelijk

Een van de redenen voor hem om te schrijven was een beetje onsterfelijk worden. Gerrit Krol overleed zondag 24 november, op 79-jarige leeftijd, maar door zijn boeken blijft hij, zoals hij het zelf omschreef, ‘nog een tijdje beschikbaar': ‘Dat ik leptosoom was, bebrild en kromlopend vond ik geen ramp. Ik zou toch schrijver worden en door velen bewonderd.' Dat is gelukt, maar als ik aan Gerrit Krol denk, denk ik ook aan het puddingbroodje dat Ellen voor hem neerzette. En hoe ze daar een beetje bij lachte. Herman Sandman