Monumentaal brievenboek van Nanne Tepper

Groningen

‘Zondagochtend. Veendammer weer, geen wonder want ik moet straks naar Gomorra – mijn vader was deze week jarig.’ Zo begint een van de brieven in ‘De kunst is mijn slagveld’, een monumentaal brievenboek van de Groninger schrijver Nanne Tepper.

Door Bram Hulzebos

Tepper werd geboren in Hoogezand en groeide op in Veendam. Dat was niet altijd een pretje, weten lezers van de ‘De eeuwige jachtvelden’ en ‘De avonturen van Hillebillie Veen’. Ook in het ruim 700 pagina’s omvattende brievenboek blijkt de haat-liefdeverhouding die de in 2012 overleden schrijver met de Veenkoloniën had. ‘Niets treuriger dan straks met mijn bruid, mijn broertje en zijn liefje (ook al een meisje met een enge ziekte) over de Kielsterachterweg (in de volksmond De Dodenweg genoemd) scheuren terwijl de wolken zich samenpakken boven de moddervelden. Dan de bejaardentehuizen, de vijvers, de bungalows en de vervloekte straat waaraan ik ooit gewoond heb en prompt de plensbui. God bewaar me.’

De eeuwige jachtvelden

In 1995 denderde Tepper de Nederlandse letteren binnen met de verpletterende roman ‘De eeuwige jachtvelden’. De Veenkoloniën vormen het decor van dit bijzondere boek dat prompt met de Anton Wachterprijs voor het beste debuut werd bekroond. De prijs is vernoemd naar romans van Simon Vestdijk, wiens weduwe de prijs uitreikte. Ze maakte er geen geheim van het maar een vreselijk boek te vinden. Tepper kon zich er over opwinden, zoals hij zich over heel ‘Luiletterland’ kon opwinden, maar hij kon er ook fantastisch over schrijven: geestig, met zelfspot, melig en woordspelerig. ‘Mevrouw Vestdijk tegen de Sint: Hoezo, een vreemdeling die verdwaald is zeker? Mijn man, meneer, mijn MAN, die was pas verdwaald, daar kunt u een punt aan zuigen en tevens aan uw pieterman, want wat die in zijn zak heeft mijnheer, neen, dan mijn man, mijn MAN, die had wat in zijn zak en strooide het niet in 1 of andere hoek, oh nee! In alle hoeken tegelijk, mijnheer! Sneller dan God kon strooien, om over die schimmel nog maar te zwijgen. O zo!’

Honderden brieven

Tepper schreef vele honderden brieven. Aan zijn uitgeefster, aan redacteuren, vrienden, bewonderaars en collega’s. Hij trakteert in zijn brieven op virtuoze bespiegelingen over porno en pasta, Salinger en Nabokov, de schoonheid van het Groninger land, literatuur, veel literatuur, film en muziek. Hij ruziet, kraakt af, stelt aan de kaak, maar toont zich ook vaak een attente kameraad. Hij schrijft veel over de ‘kermis in zijn kop’, de pillen en de psychiaters die er ook niet echt uit kwamen. De brieven beslaan de periode 1993 tot en met 2001. De periode waarin hij werkte aan de ‘Eeuwige Jachtvelden’ en debuteerde, de periode waarin hij zijn beste werk schreef en waarin hij ‘De vaders van de gedachte’ publiceerde en ‘De avonturen van Hillebillie Veen’.

De kunst is mijn slagveld

Na de eeuwwende werd Tepper Nanne Tepper. Verdrietig is de laatste brief in ‘De kunst is mijn slagveld’. Het is ook de laatste brief aan Wilma Siccama en Jack van der Weide met wie hij lange tijd intensief correspondeerde. Hij legt in deze afscheidsbrief uit dat hij steeds kampt met uitputting en depressies, failliet is omdat hij niet werken kan en zijn ‘bevriende collega’s’ kwijt is. ‘Dit alles maakt ook dat ik mij zo diep in kluizenaarschap verdronken heb dat ik niet meer met mensen omga – zo rigoureus kan ik het wel stellen. Het lukt me niet meer. Ik ben op geen enkele wijze in staat tot fatsoenlijk sociaal verkeer, en ik weet dat ik mensen daarmee kwets, ik weet in ieder geval dat ik jullie daarmee kwets’.

Auteur

Marc Jansen