Studeren

ZUIDBROEK

We stonden in een kring op het station. De routine van de dag gleed geruisloos langs ons heen, niemand van ons leek op te merken dat we een opstopping bij de OV-automaten aan het veroorzaken waren. Ik droomde mijzelf terug naar mijn tuin, naar de gekromde rug van mijn man, een dromerige veertiger, die op dit moment van de zopas gekochte tuintegels een terras legde.

Ik bekeek de gezichten van de jonge mensen in de kring, niet goed wetende hoe een houding aan te nemen. Uiteindelijk vroeg ik een meisje en een jongen naast mij hoe oud ze waren. Ze waren zeventien en een tweeling, voegden ze eraan toe. Het meisje had een bol gezicht met een hoog voorhoofd. Ze droeg een jurk van gladde stof, die haar iele lichaam fraai omlijstte. De jongen droeg een blauwe blouse, hij was onmiskenbaar de rebelse in de familie. Ik stelde mij de pogingen van zijn wanhopige ouders voor, het zuchten en de irritatie om de ketting met haaientand die om zijn nek bungelde.

Wat deed ik hier überhaupt? Dit waren typisch de producten van ouders die een hoge functie bij de NAM of bij de rechtbank bekleden. Ze leiden een voorspoedig leven, drie keer per jaar op vakantie met hun weldoorvoede en zongebruinde lijven. Van andere levens hebben ze geen weet. Ik bekeek mijzelf door hun ogen. De afgetrapte sneakers, de spijkerbroek van de Takko, het weerbarstige haar dat ik haastig in een knot had geduwd. Een vreemdeling.

,,En jij?” De jongen met de haaientand keek op van zijn mobiel. ,,Zesentwintig”, mompelde ik.

,,Zo.” Hij bekeek me met hernieuwde interesse. ,,Hoe kom jij hier dan zo terecht?”

Ik dacht aan wat ik deed toen ik zo oud was als hen, in maart, op een zonnige vrijdagmiddag. Ik had ongetwijfeld in de kroeg van mijn ouders gewerkt, of zelf ergens aan de bar gehangen. ,,Hoe ik hier terechtkom? Nu ja, ik dacht, misschien wil ik toch de universiteit nog gaan doen.” De jongen lachte. ,,Je bent nooit te oud om te leren toch?” In gedachten wilde ik de nek van de snotneus omdraaien, maar een meisje met een lijst in haar handen noemde onze namen op en nodigde ons vervolgens uit om met haar richting de universiteit te lopen. Als een kudde makke schapen volgden we haar, we staken het zebrapad over zonder te kijken, het veelzijdige Groningen in.

Na zo’n twintig minuten kwamen we aan bij een gebouw in Grote Rozenstraat. Via een zij-ingang kwamen we uit op een plein met hoge oude bomen en prachtige bloemperken. Ik keek mijn ogen uit. Het meisje dat de voorlichting verzorgde, vertelde over de gebouwen biologie en geneeskunde, over de kamers waar studenten vroeger toekeken hoe lijken opengesneden werden.

Temidden van al die jonge mensen glipte ik via de zij-ingang de schimmige achterafstraatjes in. Ik verliet een wereld van prestige voor de mijne, thuis, in Zuidbroek.


Auteur

Redacteur