Helden (deel 1)

ZUIDBROEK

Nog enkele seconden voor de trein vertrekt. Ik moet nu beslissen. Paniekerig graai ik mijn spullen bij elkaar. Ik zie mensen geërgerd kijken, hoor ze denken. Het zweet stroomt inmiddels in dunne straaltjes van mijn voorhoofd, langs mijn rug, langs mijn borst. Mijn hart bonkt hevig. In een wanhopige poging de overvolle trein uit te komen, struikel ik over een grote weekendtas. Geen idee van wie. Het maakt ook niet uit. Ik moet hieruit zien te komen.

Ineens sta ik buiten. Alles is wazig. Ik strompel op het eerste bankje af dat ik zie. Ik grijp de leuning vast, voel mijn lichaam slap worden, mijn benen onder me wegvallen. Met een snelle beweging weet ik mijn lijf nog naar het zitvlak van het bankje te bewegen. Ik plant mijn hoofd tussen mijn knieën.

De eerste golf komt vastberaden. Ik wil het tegenhouden, maar het gaat niet langer. Alles wat ik die ochtend at komt er met veel dramatiek uit. Voor mijn voeten vormt zich een plas, op mijn witte sokken worden bruin- oranje spetters zichtbaar. Ik wil alleen nog maar liggen, wegzakken in een diepe slaap. Verdwijnen. Ik probeer een oplossing te bedenken. Wat kan ik doen? Wie moet ik bellen? En waarom? Waarom in godsnaam nu?

Na een reeks nieuwe golven probeer ik op te staan. Ik sjouw al mijn spullen naar het uitcheckpoortje. Ik wil niet langer met mijn eigen braaksel geconfronteerd worden, noch met de omstanders die er wat schaapachtig omheen staan te kijken. Een conducteur van Arriva en twee bewakers die het blijkbaar hebben zien gebeuren, komen van een afstandje aangesneld. De conducteur vouwt zijn vingers om mijn pols.

,,Veel te hoog meissie. Ik wil je hier niet zo hebben rondlopen.” Hij knikt naar de twee bewakers, die spullen van mij overpakken. ,,Kom. Je moet nu echt gaan zitten.” Voor een snackbar vinden we een stoel. Ik durf niet achterom te kijken, uit angst voor het menubord, de kroketten in de toonbank.

,,Ben je diabeet,” vraagt de conducteur. Ik schud mijn hoofd. ,,Dit is mij nog nooit eerder overkomen. Het spijt me als ik u tot last ben, ik.”

Hij heft zijn hand op. ,,Geeft niets. Lukt het om hier even alleen te blijven zitten? Dan haal ik water en paracetamol voor je.” Ik knik. De bewakers begeven zich sjokkend weer naar hun vaste stek, mompelen dat ze me in de gaten zullen houden. Na tien minuten keert de conducteur terug. Hij schudt een zakje met suiker in mijn water leeg. ,,Dat helpt.” Ik bekijk zijn gezicht. Zijn bruine ogen, de trekken rondom zijn mond. Mensen om ons heen haasten zich naar een eindbestemming.

,,Waar ging je eigenlijk naartoe?”

,,Oerol”, zeg ik zacht.

Hij legt zijn klamme hand heel even op de mijne, staat dan op. Ik kijk hem na. Je herkent ze niet onmiddellijk. Ze dragen het gezicht van een doodgewone man of vrouw. Maar ze bestaan.


Auteur

Redacteur